‘Gelukkig hebben we nooit geleefd met de gedachte: dat komt later wel’

In 1973 heeft Jan van der Mey een bos lang haar, een Kreidler en maar liefst twee vriendinnetjes. Maar als hij Marja tegenkomt, op een bruiloft van vrienden, is hij diep onder de indruk. Ze is bloedmooi en het klikt bovendien gelijk tussen ze.

Jan is opgeleid tot kok, maar werkt vanaf 1978 als koster en beheerder van Zalencentrum en de Wilhelminakerk in Soest. Dat doet hij tot in 2020 corona de kop opsteekt. Zijn vrouw Marja is dan al een tijd ernstig ziek, dus hij stopt met werken en grijpt met beide handen de kans aan om er voor haar te zijn.

Wat was Marja voor vrouw?

“Marja was een harde werker, fier en rechtop in het leven. Ze oordeelde nooit over anderen, maar ze stond wel haar mannetje. Ik had een bedrijf waar zij ook werkte. Op een keer was er wat reuring en op een gegeven moment ging iemand naar mij staan zwaaien met een mes. Zij was in verwachting van Jan, en zo klein van stuk als ze was, ging ze zonder aarzelen voor me staan en zei: als je hem wilt steken, dan moet je eerst langs mij. Indrukwekkend kon ze zijn. 
Voor mij was zij liefde. Ze kon goed luisteren, ik ben nogal een prater, dus dat is fijn.
En ze was beeldschoon, zelfs toen ze de laatste genade-uitslag had gekregen, ze was toen 67, was ze nog mooi. Je kan het je gewoon niet voorstellen. Ze heeft de grootste plek in mijn hart en dat zal ook nooit veranderen. We zijn altijd van elkaar blijven houden.”

Hoe ging dat, toen Marja ziek werd?

“We hadden een mooi leven, het ging goed. Onze zoon Jan en zijn vrouw waren voor het eerst in verwachting, onze jongste dochter Bianca stond op het punt om te gaan trouwen. En toen voelden we in Marja’s borst een knobbeltje. Je denkt: ach, het zal wel een cyste of een kliertje zijn. Voor de zekerheid liet ze een punctie doen en toen kreeg ze te horen: het is kanker en het is al uitgezaaid naar de lymfen. Ja, dat is vreselijk. Ik voelde me een beetje als Job op de vuilnisbelt. Dus dan ga je het traject in. Eerst chemo, bestralingen, herceptin, een operatie. Ze heeft tien jaar bij de oncoloog gelopen. Is doodziek geweest. Maar toen was ze kankervrij, werd ze genezen verklaard. De vlag kan uit, het geluk is enorm. Dan denk je: we hebben ons leven weer terug, maar het wordt nooit meer hetzelfde.”

En de kanker kwam terug…

“Drie jaar geleden kreeg ze problemen met slikken. Weer denk je: het zal wel niks zijn en weer bleek het na een punctie foute boel. En dan begin je aan het volgende traject, dit keer bij het Antoni van Leeuwenhoek, een geweldig ziekenhuis. Wéér elke keer controles, elke keer spannend als je de uitslag afwacht. De ene keer zeggen ze: het gaat prima, drie maanden later is het mis. Het is een achtbaan, het is zo zwaar, eigenlijk is het niet te doen.”

Konden jullie er met elkaar over praten?

“Ja, zeker. Wij hebben alles in de familie gedeeld, zijn onvoorstelbaar hecht samen. We hebben het altijd met de kinderen besproken, ze overal bij betrokken. Ik ben in die tien jaar naar elke ziekenhuisafspraak meegegaan – op misschien twee keer na, en Bianca ook. Bianca is verpleegkundige, dus die kon alle uitslagen nog beter interpreteren. We hebben ook over het einde gepraat. Door het kerkenwerk heb ik zoveel mensen naar hun einde begeleid, zoveel families gekend met dezelfde zorgen. Bovendien hadden we al een aantal familieleden verloren aan dezelfde ziekte. We hebben het ook over het afscheid gehad en euthanasie, voor als het echt niet meer ging. Uiteindelijk was het op het moment zelf toch anders. Ze wou tot het einde erbij zijn, terwijl het toen echt slecht met haar ging.”

En besprak zij het met anderen?

“Zij wilde het niet met Jan en alleman delen, anderen niet belasten, ze cijferde zich altijd weg. Ze wilde die aandacht niet, andere mensen niet verdrietig maken. Toen ze kaal was, liep ze met een pruik op en dan zagen mensen het ook niet. Ze kwam soms rechtstreeks van een behandeling in het AvL door naar de kerk, dan had ik een begrafenis met heel veel mensen. Marja knoopte een sloof om en ging aan het werk. Niet klagen maar dragen, dat was Marja. Ondanks het publieke leven hebben heel veel mensen het niet geweten. Zo wilde ze het.”

Wat veranderde er toen je wist dat ze niet meer beter werd?

“Als je partner ziek wordt, verandert in feite alles. Je bent je onbevangenheid kwijt. Het wordt nooit meer hetzelfde. Toen ze ziek werd, hadden we met ons gezin al heel veel mooie herinneringen gemaakt. We hebben nooit geleefd met de gedachte: dat komt later wel. We leefden altijd in het heden: we moeten de dingen nú doen.
We hebben gezorgd dat ze het nog zo goed mogelijk had. We zijn op vakantie naar Curacao geweest. En ze genoot enorm van shoppen met de meiden. We hebben met het gezin plus aanhang ‘Limburgs Mooiste’ gefietst. Ja, zij ook, op haar e-bike reed ze gewoon mee. Toen we weer naar huis vertrokken, riep ze vrolijk: tot volgend jaar!’ Dat was een maand voor ze overleed.”

Hoe was het om te horen dat ze uitbehandeld was?

“Het was november, vlak voor kerst. Je hebt al zo vaak in dat kamertje gezeten en zo vaak slecht nieuws gehoord, en toch maakt dat het niet makkelijker. Tot die tijd zei ik altijd na elk slecht-nieuws-gesprek: ‘En nu?’ Je hoopt telkens dat er nog een volgende mogelijkheid is. Maar die was er nu niet. Dan kom je in een soort roes terecht. Je probeert door te hollen, tenminste ik dan. Ik bleef proberen het gezellig te maken. Maar op een gegeven moment was het op. Ik kon gewoon niet meer. 
Op de dag dat het bericht kwam dat ze uitbehandeld was, waren we hier allemaal, haar broer en zus ook. Marja bleef nuchter als altijd, ze zei: oké, jongens, allemaal een kwartiertje huilen en dan is het klaar. Ik ga nog lang niet dood.”

En ga je dan dingen regelen?

“Ja, want na dat nieuws weet je dat het echt stopt. Een maand daarna hebben we de hele begrafenis geregeld of eigenlijk heeft Marja zelf heel veel geregeld. De dienst, de muziek. Iedereen heeft wel een nummer voorgesteld, van kerkmuziek tot populaire muziek. Het was eigenlijk zo klaar, wij hebben dat ons hele leven al gedaan, we hebben zoveel mensen geholpen met rouwdiensten. Ik heb lang met de dood gewerkt, dit konden we op de automatische piloot. Maar de plechtigheid was prachtig. Eén grote bloemenzee in de kerk, iedereen heeft wat gezegd, dat was zo mooi. Alleen maar liefde.”

En hoe gaat het nu met je?

“Na haar overlijden zijn we allemaal best wel in een wakje gegaan. Een heel koud wakje. Mijn lichaam was op, ik had overal uitslag, ontstekingen, mijn suiker was niet goed. Mijn zoon Jan nam me mee op vakantie, stond ik in de zee, kon ik niet meer lopen. Ik was keihard over mijn grenzen gegaan. Maar achteraf had ik het zo weer gedaan. Mijn ogen glimmen nu wel weer, maar dat vertrouwen van: het is oké, dat heb je niet meer. Dat is zonde, maar het hoort bij het leven
De kinderen hebben me erdoorheen gesleept. Zo sla je je erdoorheen. Nu doe ik soms aan artiestenvervoer, ik ga fietsen en sporten. Ik woon hier mooi, tegenover de polder, heb een bouvier gelukkig. Koken voor mezelf vind ik nog steeds verschrikkelijk, dus ik eet twee keer per week bij Bianca, twee keer per week bij Jan, en een keer bij mijn schoonzuster. 
En ik mis Marja nog elke dag. Het zijn de kleine dingen waarin het grote gemis zit. Marja was er altijd, niet omdat ze het moest, maar omdat ze het wou. Zij koos met volle overtuiging ervoor om hier te zijn, op dat bankje in de hoek. Het samen zijn, met iemand waarmee je zoveel deelt, dat mis ik. Dat staat ook op haar graf: nooit alleen, altijd samen, onafscheidelijk, altijd één.
Ik ga elke dag even naar het graf. Dan ga ik even mijmeren. Niet dat ik praat tegen haar, maar daar is ze. Even harken, zorgen dat het netjes blijft, even weer samenzijn.”

Tips voor anderen.

“Probeer je humor te behouden. Bij ons werkte zwartgallige humor goed. Die grappen hielden ons overeind. Dan lag ze weer in het ziekenhuis, en dan was ik blij als ik toch weer die lach op haar gezicht kreeg. Natuurlijk is het leven niet alleen lolmakerij. Maar even raar doen en in de lach schieten, dat is belangrijk.” 

“Leef alsof het je laatste dag is. Het klinkt bijna commercieel, ik weet het. Maar toch… Wij hebben nooit geleefd met de gedachte ‘dat doen we later wel’. En dat was fijn, we hadden dus een heel mooi leven samen gehad met veel mooie herinneringen.”

“Doe dingen waar je blij van wordt. Marja werd heel blij van shoppen met de meiden. Van kleren kopen, dat vond ze heerlijk. Dat gaf haar een goed gevoel, daar kon ze geluk uit putten. Dus dat hebben we gewoon gedaan tot het eind.” 

“Wat je het meeste mist, als iemand er niet meer is, zijn niet de grote dingen. Maar de kleine. Koffie drinken samen. ‘s Nachts in bed tegen elkaar aan liggen. Wees je van die dingen bewust . Ze lijken vanzelfsprekend, maar er komt een dag dat ze dat niet meer zijn. Je moet je tijd dus goed benutten. We zijn een keer apart op vakantie geweest. Toen we terugkwamen, zeiden we tegen elkaar: wij gaan nooit meer zonder elkaar. Onze tijd is te kostbaar.”

Dochter Bianca: “Het moeilijke is herkennen dat het einde is aangebroken. Je hoopt altijd dat het leven nog een stukje langer duurt. Als ze een longontsteking kreeg, dacht ik: shit, daar gaat ze. Maar ze heeft er vier gehad. Iedere keer dacht ik: moet ik mijn zorgverlof nu opnemen? Nu zou ik zeggen: als je twijfelt: neem het op.”

Jan (65)
  • Verloor in 2021 zijn vrouw Marja
  • Marja kreeg eerst borstkanker en later slokdarmkanker
  • Drie kinderen: Bianca, Daphne en Jan en drie aangetrouwde kinderen: Purdey, Sylvester en Pauline

Lees meer verhalen